Start
Omhoog

Spreekbeurt

1. Doelgerichtheid:
De spreekbeurt moet een duidelijk doel hebben.
In dit verband gaat het erom dat je het publiek overtuigt van je standpunt.  


2. Publiekgerichtheid:

De spreekbeurt moet:

  • begrijpelijk zijn;
  • interessant zijn;
  • voldoende niveau hebben (in overeenstemming met de ontwikkeling van het publiek).  


3. Inhoud:
Bij de inhoud dien je rekening te houden met de volgende zaken:

  • de spreekbeurt draait om een vraag of vragen waarop antwoord gegeven moet worden;
  • het onderwerp moet actueel en controversieel zijn;
  • uit de volgende drie soorten onderwerpen moet je er één kiezen:
    1) iets waarover je van mening kunt verschillen;
    2) iets wat een probleem is;
    3) iets met voor- en nadelen;
  • pas op voor een te ruim onderwerp;
  • zorg voor voldoende informatie;
  • pas op voor overbodige uitweidingen;
  • geef indien mogelijk voorbeelden ter verlevendiging van je betoog;
  • je standpunt moet aanvaardbaar gemaakt worden met goede argumenten;
  • de feiten die je weergeeft, moeten betrouwbaar en controleerbaar zijn; geef daarom ook aan waar je je informatie vandaan hebt (zie "Slot").  


4. Opbouw:
Zorg ervoor dat je spreekbeurt de bekende driedeling bevat:
 
Inleiding:

  • geef een pakkend begin met aanduiding van het onderwerp;
  • betrek de actualiteit erbij en de controversialiteit
  • leg in het kort uit waarom je het onderwerp gekozen hebt (motivatie);
  • stel een vraag of vragen over het onderwerp
    (vraag- of probleemstelling);
  • maak de verdere indeling van je spreekbeurt bekend;
    gebruik daarbij het bord of een groot vel papier (dit laatste heeft sterk de voorkeur);
  • behandel dus alle aspecten in de inleiding expliciet.

Kern:

  • nadere omschrijving van het onderwerp (= begripsbepaling);
  • eventueel een stukje geschiedenis;
  • antwoord(en) op de vra(a)g(en), met argumenten.

Slot:

  • samenvatting en/of conclusie (= je standpunt [eigen visie] over het onderwerp nog eens kort weergeven);
  • vermelding van de informatiebronnen die je gebruikt hebt.
  • vragen of er nog vragen zijn.  


5. Formulering:

  • zorg voor nauwkeurig, begrijpelijk en gevarieerd woordgebruik;
  • articuleer goed, met voldoende stemgeluid zodat je goed verstaanbaar bent;
  • de zinnen moeten kloppen;
  • de zinnen mogen niet uit het hoofd geleerd worden;
  • de zinnen mogen niet opgelezen worden;
  • spreek enthousiast, levendig en met overtuiging.  


6.  Presentatie:

  • kijk de klas rond;
  • neem een natuurlijke en ontspannen houding aan;
  • ondersteun het spreken met wat gebaren, maar overdrijf niet;
  • verlevendig je betoog desgewenst met enig illustratiemateriaal;
  • maak gebruik van het bord voor moeilijke namen, schema's e.d.
  • gebruik van audio-visuele hulpmiddelen is toegestaan (maar overdrijf niet!)


Let op:

  • zet belangrijke aspecten van je spreekbeurt puntsgewijs op papier, schrijf de spreekbeurt dus niet helemaal uit, tenzij je dat doet om jezelf meer vertrouwen te geven; gebruik bij de presentatie niet meer dan één kantj van een A4 of, bij voorkeur, losse kleine (systeem)kaartjes waarop korte notities staan.
  • de spreekbeurt duurt optimaal 10 minuten, minimaal 8 minuten en maximaal 12 minuten; gebruik een horloge o.i.d., zowel thuis bij het oefenen als in de klas.


Beoordelingscriteria
Er zijn veel factoren die de kwaliteit van een spreekbeurt bepalen. Lang niet al die factoren heb je in de hand. De belangrijkste aspecten zijn bij publiekgerichtheid, inhoud, opbouw, formulering en presentatie genoemd.
 
Opvallende beoordelingsaspecten bij een spreekbeurt zijn o.a.:

de natuurlijkheid, de vanzelfsprekendheid waarmee gesproken wordt;
de wijze van vertellen;
het al dan niet oplezen van de uit te spreken tekst;
het al dan niet uit het hoofd geleerd hebben;
de verstaanbaarheid;
de kwaliteit van de formuleringen: pauzes, haperingen, stopwoordjes;
het tempo en de variaties in dat tempo;
het contact met de klas;
het enthousiasme of de overtuiging waarmee de inhoud aangeboden wordt;
de mate waarin aan de gestelde eisen is voldaan en
hoe sterk je daar staat (zit, loopt, enz.)!

 

bron: web.inter.nl.net/users/L.de.Groot